
Gehouden op 20 mei 1999
Deel 1: architectuur in het Twentse
landschap
inleiders:
- Joost Cannegieter,
architect, Lonneker
- Kees Kloosterman, landschapsarchitect DLG, Zwolle
-
Gerrit Jan Veen, adviseur plattelandsontwikkeling DLV, Deventer
- Albertjan
Peters, planoloog, voorzitter bestuur Hogeschool Enschede
- Jurgen van der
Ploeg, architect FARO Architecten, Lisserbroek
presentatie: Harry
Abels
locatie: havezate Het Everloo, Rossum
bezoekers: 75 bezoekers
Joost Cannegieter (architect,
Lonneker)
Landschap is het decor waarin gebouwen de spelers zijn, en
architectuur de intrige. Een landschap waarin alleen natuurgebieden, akkers en
weiden figureren is weinig boeiend, gebouwen zijn nodig als dramatis personae ,
dat wisten en weten de landschapsschilders.
In Twente hebben de
boerenbedrijven die het landschap stofferen vanouds een eigen karakteristiek,
het los hoes of hallentype, met de lange kap en het duidelijk gemarkeerde
profiel. Direct over de Duitse grens is de bouwstijl anders, in Noord-Holland
“hoort” de stolpboerderij, in Friesland de kop-hals-rompboerderij en
in Limburg het hoftype.
In tegenstelling tot het stedelijk gebied is het
landschap open. Zichtlijnen zijn lang, zichthoeken wijd. Solitaire elementen,
zoals een grote eik of een gebouw oefenen een grote visuele invloed uit op de
omgeving. Kwaliteit van het gebouwde is daarom van groot belang.
Door de
huidige agrarische problematiek worden veel boerenbedrijven opgeheven, de
opstallen komen vrij, en worden verworven door bedrijven (caravanstallingen,
autospuiterijen) of burgers, die verbouwen of nieuw bouwen. In alle gevallen
blijkt wordt weinig zorgvuldig met het visuele milieu omgesprongen. Zelden
worden architecten ingeschakeld, en als dit al gebeurt, dan blijkt dat de
relatie met de typologie van het landschap en de in de omgeving aanwezige
bebouwing meestal ontbreekt.
Functionele traditie en het eeuwenlang wonen
door hetzelfde geslacht op hetzelfde erf hebben de kleur van de steen en de
dakpannen, de vorm en accentuering van het dak en de erfaanleg en -beplanting
bepaald. Dit moet niet even “op de schop genomen worden”, het is
evenmin reden om tot het einde der tijden door te gaan met een traditionele
stijl, integendeel, teveel aan imitatie is net zo erg als ondoordachte
confrontatie van het landschap met modernisme.
Visuele rust en ruimte
kenmerken Twente. Toch wordt het buitengebied als restruimte behandeld.
Natuurgebied kent enige bescherming, het landschap als geheel, dus inclusief
productieland, echter nauwelijks.
De vraagstelling is: hoeveel en wat voor
bebouwing kan het Twentse landschap verdragen.
Negatieve voorbeelden zijn er
in overvloed, spaarzame positieve voorbeelden zijn de “boerderij”van
de Universiteit Twente, waar Piet Blom met Twentse elementen werkt, en een
woning van Hylke Postma in Deurningen.
Kees Kloosterman (landschapsarchitect
DLG Zwolle)
De “genius loci “ is verweven met het landschap door
de geologische gesteldheid en de activiteiten van mens, dier en planten door de
eeuwen heen. De landschapsarchitect verricht, waar nodig, ingrepen met
beleving van de “genius loci“, de economie van het gebied en zijn
eigen visie. Locale kenmerken moeten in stand blijven. Maar ook latere
toevoegingen moeten de kans krijgen oud te worden, hiertoe zouden criteria
moeten gelden.
Natuur is om te benutten: er in te leven en er van te leren,
daarom moeten natuurgebieden robuust zijn. Exclusieve landschappen moeten
toegankelijk gemaakt worden. Beekdalen geven rijke dynamiek als we de beken meer
ruimte gunnen, en overstromingsgebieden kunnen zeker ook de recreatie
dienen
Voor een “versleten” landschap kunnen verbeteringen in
vernieuwende zin worden doorgevoerd, maar met een breder doel, in een ruimere
planologische visie dan tot nu toe gebruikelijk.
De kwaliteit van
architectuur in het landschap hangt af van samenwerking tussen de actoren, hun
kwaliteit en hun visie.
Gerrit Jan van der Veen (adviseur
plattelandsontwikkeling DLV, Deventer)
Natuur en landschap in Twente zijn het
resultaat van de economische activiteiten van de dragers: boeren (en een paar
landgoedeigenaren). Ons cultuurlandschap kent grote dynamiek met veel variatie.
Regelgeving voor nieuwe natuur resulteert soms in negatieve zin: vanaf de Hoge
Boekel kon men vroeger Bentheim zien liggen, nu wordt het zicht ontnomen door te
veel bomen.
Voorbeeld in gunstige zin is de nieuwe landinrichting van de
Eschmarke, een ecologisch sterk gebied met moderne agrarische
bedrijfsmogelijkheden. De kleinschaligheid is goed gehandhaafd, evenals de mooie
oude boerenerven. Boeren en grondeigenaren moeten hun economische rol blijven
vervullen, waarbij variatie in bedrijfsmogelijkheden van belang zijn.
Het
bouwen op het platteland heeft een enorme verschraling ondergaan.
Bedrijfswoningen zijn van hetzelfde type (maximaal, dus ook minimaal 500 m3);
ligboxenstallen zijn overal hetzelfde. Meer karakteristiek is nodig.
De
regelgeving voor het buitengebied zou meer variatie mogelijk moeten maken. Veel
boeren stoppen, en een oplossing voor de bedrijfsgebouwen is moeilijk te
verwezenlijken. Bestemmingsplannen sluiten veel goede varianten (veelal in de
recreatieve sfeer) uit.
Leegkomende gebouwen moeten passende functies
krijgen, zodat het platteland body krijgt. Een bedrijf dat stopt moet de stallen
voor burgerwoningen kunnen ruilen (kuub voor kuub of ruimte voor ruimte
regeling). Maar rijke mensen, die een boerderij tot comfortabele woning met
paardenstallen verbouwen, zijn meestal een ramp voor het landschap. Evenmin
lijken de nu gepromote “landgoederen” aanwinsten te worden voor het
landschap.
Mensen moeten feeling hebben met de plek waar zij wonen.
Opvolging van generatiesop de boerderij, als in het verleden, moet worden
gestimuleerd.
Het devies is d.i.m. denken: denken in mogelijkheden!
Albert Jan Peters (planoloog en
voorzitter bestuur Hogeschool Enschede)
Zwak bestuurlijk beleid leidt
enerzijds tot niet uitvoeren van infrastructurele verbeteringen en anderzijds
tot onvoldoende bescherming van waardevol cultuurbezit.
Vijf
observaties:
Twente denkt introvert, maar is in feite een voorstad van de
Randstad, met wonen als belangrijke functie. De bevolkingsdruk zal stijgen, het
wordt een stedelijk landschap.
In de kracht van de visie van actieve
inrichtingspolitiek moeten bepaalde delen vrijwaren van bebouwing en de functie
van landschap met kwaliteit geven.
Kennisintensieve economie leidt tot
“neo-aristocratie”, die hoge eisen aan het wonen stelt. De kwaliteit
van Twente ligt in het groene wonen
Inrichting is een kwaliteitsvraag,
waarbij samenhang centraal staat: ook niet-agrarische bedrijven kunnen in het
landschap, bedrijvenparken waarbij geen heggen worden platgewalst en niet
geëgaliseerd wordt.
Conserveren is mooi, maar vergeefs.
Jurgen van der Ploeg (architect
FARO)
FARO is gevestigd in Lisserbroek in een bollenschuur op een boerenerf,
die met een minimum aan ingrepen tot architectenbureau is verbouwd.
Architectuur is in het spanningsveld tussen bestaande situaties en vernieuwing,
tussen de vrijheid van het individu en de regie van de locatie.
Gepresenteerd
wordt een aantal originele projecten:
plan binnen houtwallen rondom
gemeenschappelijk groen, waaraan elke woning een houten terras
heeft
uitbreiding villa aan de Vecht in lage bouw om uitzicht te
handhaven
Vinex Ypenburg met consistente variatie, hoge dichtheid o.a. door
stadsvilla’s en “landhuis” met 22 appartementen, volgens
spreker toch een plan met een landelijk karakter
plan
“paardenrijtjeswoningen”: rondom een “green” gesitueerd
met verbindingspad naar manege met paardenstallen.
Van der Ploeg pleit
voor vimix i.p.v. vinex, maar ziet weinig heil in cataloguswoningen. Regie
blijft nodig, de grachtengordel is niet voor niets aantrekkelijk.
Vragen en discussie o.l.v. Harry Abels
(architect, voorzitter programmacommissie Architectuurcentrum Twente)
Adriaan
Buter, auteur landelijke bouwkunst en gewezen boer vindt het niet jammer dat de
huisvesting van Faro niet in Twente staat.
Hij vraagt de heer Peters hoe hij
erover denkt Twekkelo als bedrijvenpark in te vullen.
Peters: kent Twente
niet goed genoeg om hier antwoord op te geven: maar hij heeft echter wel eens
plantekeningen gezien van Twekkelo die volgens hem niet zo moeten worden
doorgevoerd.
Elk plan zou gemengd moeten worden ingevuld: niet alleen
bedrijven, ook woningen en recreatie. Is ook voorstander van het aanpassen van
boerenhoeven voor andere doeleinden..
Butter: heeft moeite met moderne
pogingen van architecten. Wil meer eerbied voor traditie.
Vd Ploeg meent dat
dit niet kan zonder vernieuwing van traditie. Wij veranderen en moeten daarmee
omgaan. Architectuur kan eigenlijk pas beoordeeld worden over 50 jaar. Je kunt
ook iets voor 20 jaar bouwen en het dan weer weghalen, het als het ware lenen
uit het landschap.
Cannegieter: van de ontwerpen die Vd Ploeg heeft
gepresenteerd, stonden er veel in een cluster. Dit kan het landschap beter
verdragen dan verspreide bebouwing Vd Ploeg vult aan dat hij geen
standaardrecept voor alle locaties hanteert omdat de randvoorwaarden steeds weer
anders zijn. Er moet steeds weer een mix worden gezocht.
Siny Lohuis,
boerin: Veel buren stoppen met hun bedrijf en de regelgeving ligt dwars bij een
nieuwe invulling daarvan. Er is een landbouwontwikkelingsplan gemaakt waarin
mogelijkheden voor bedrijvigheid aangeboden zijn, maar dit werkt nog niet goed.
Haar buren zijn allen erg zuinig op hun erf, ook op de houtwallen. Ze pleit
ervoor om de boeren die stoppen op hun eigen plek te laten wonen zodat de
sociale structuur behouden blijft en stelt dat er geen behoefte is aan
‘paradijsvogels’ (nieuwe rijken).
Zo’n paradijsvogel is
aanwezig, zijn werk is in Amsterdam, maar door telewerken kan hij meestal in
zijn woonboerderij in de Achterhoek zijn. Hij is wel opgenomen in de noaberschap
en in de sociale structuur. Hij erkent dat veel paradijsvogels dit niet
ambiëren, maar je mag niet generaliseren. Hij kent meer mensen die in het
westen werken en in het oosten wonen.
Abels vraagt Peters om een aanvulling
van zijn uitspraak dat het tegenhouden van nieuwe ontwikkelingen in Twente een
illusie is.
Peters: het landschap ontwikkelt zich door de maatschappelijke
krachten. Twente was kleinschalig, maar is dat niet meer. Het forensen van nu
wordt op korte termijn een trend. Stedelijke invulling is een zekerheid. Daarom
moet traditionele kwaliteit, zelfs te onderscheiden in oost en west Twente,
worden behouden. Architecten moeten de opdrachtgevers in de hand houden.
Opdrachtgevers moeten luisteren naar architecten.
Ben Harsta: we willen heel
veel individuen de ruimte geven die nu nog voor een enkeling is weggelegd. Hoe
denk je over het wilde wonen Jurgen, en waar blijft het socialistisch
gemeenschapdenken?
Vd Ploeg kan zich voorstellen dat er plekjes zijn waar
geen regels zijn, maar er is een traditie van regie in NL. Je moet naar
regio-eigen kenmerken kijken en deze in de ontwikkelingen meenemen. Je moet de
eisen strategisch stellen; daar waar iedereen wil wonen kun je hoge eisen
stellen. Waar niemand wil wonen kunnen de teugels losser.
Jaap Groteboer:
Groningen is voor hem het voorbeeld geweest hoe het wel kan. In Twente staan
veel cataloguswoningen, Reutum en Losser zijn van de kaart geveegd. In Groningen
kan vervangende nieuwbouw wel goed. Waarom kan dat in Twente niet?
Peters: de grondslag hiervoor is de consistente kracht en bemoeienis
van het provinciaal bestuur Groningen met het stadsbestuur Groningen Het is
weinig democratisch, maar leidde wel tot kwaliteit.
Overigens is in de
agrarische-emotionele situatie in Twente veel beter. Peters heeft het gevoel dat
de liefde hier wel degelijk is, maar dat men elkaar er hier weinig op
aanspreekt.
Met betrekking tot de opmerking over het elitaire karakter
van vanavond is Peters van mening dat we niet moeten vergeten dat wanneer je het
hebt over hoger opgeleiden met een hoger inkomen, dat je het over een grotere
groep mensen hebt dan je denkt.
Cannegieter: het verschil Groningen/Twente
zou het misschien ook kunnen zijn dat Groningen middenin Groningen ligt en
Enschede heel ver van Zwolle.
Peters is het hier volstrekt niet mee
eens.
Gerrit Tijscholte, buurtbewoner: vroeger waren er toch geen
architecten, de timmerman was in de eerste instantie de architect. Hij heeft het
idee dat architecten niet begrijpen wat de timmerman begrijpt. Daarbij zijn de
kosten erg hoog. Vroeger ging je naar een architect, die trok een tekening uit
de la. Wat moet je tegenwoordig betalen voor de architect.
Abels: vraagt
waarom dhr. Tijscholte niet gewoon naar de timmerman is gegaan.
Volgens Tijscholte kon deze het niet voor elkaar krijgen met de gemeente.
Hij ziet wel in dat er planologisch iets gebeuren moet, maar hij vindt het erg
jammer dat er steeds minder Twentenaren in Twente wonen.
Vd Ploeg beantwoord
het kostenvraagstuk: voor een klein huis bedraagt dit ca. 15 % van de bouwsom,
dit percentage zakt naar mate het huis groter wordt.
Kloosterman; is zelf
ook een paradijsvogel; hij probeert zich te mengen in de samenleving, en
vindt dat leuk, hij heeft zelfs vee aangeschaft om te kunnen meepraten.
De
paradijsvogel uit de Achterhoek zegt blij te zijn in deze andere wereld te
leven. Hij doet op zijn beurt ook wat voor de buren. Dat is iets wat hij in
Twente heeft geleerd.
Mw Palthe komt terug op de vanavond afgekeurde stijl
van nieuwe woonhuizen bij boerderijen. Hiervoor is toch een welstandscommissie.
Afke van Doesburg (Welstand, o.a. voor Weerselo): over dit soort bouwplannen
is heel moeilijk te beslissen. Tijdens het gesprek met de bouwers blijken hun
argumenten voor een dergelijk huis met eindelijk het gewenste comfort erg
moeilijk af te weren. Als je hier een halt toe wilt roepen heb je de steun nodig
van een gemeentelijk beleid.
Cannegieter: beleid is heel cruciaal. Bij elk
stedelijk bestemmingsplan is tegenwoordig een beeldkwaliteitsplan, terwijl dat
bij het buitengebied nooit het geval is.
Afke van Doesburg zegt af en toe
blij te zijn dat er iets zo lelijks wordt gebouwd, dat roept de discussie
tenminste op.
Van der Veen spreekt dit tegen: het publiek houdt van dit
soort architectonische lelijkheid, en elk toegestaan plan is een precedent.
Afke van Doesburg zegt ook niets te kunnen verbieden, de welstand geeft
alleen maar een advies.
Iemand in het publiek vraagt hoeveel architecten in
de gemeentepolitiek zitten.
Abels denkt dat dit er te weinig zijn, maar wil
graag weten hoeveel timmerlieden hierin deelnemen?
Volgens de vraagsteller
kon dit nog wel eens meevallen.
Einde discussie, einde bijeenkomst.