
Gehouden van 11 maart t/m 13 mei 2004
door Herman Haverkate
in de Twentsche Courant Tubantia, Stad & Land
katern d.d. 17 maart 2004
Met zijn piramides en patiowoningen was hij eind jaren zestig een van de smaakmakers op de UT. Herman Haan (1914-1996), architect, archeoloog en met Piet Blom en Aldo van Eijck een van de grote criticasters van het platte functionalisme van na de oorlog. Zijn gebouwen zijn nog altijd te zien, evenals een kleine tentoonstelling die tijdelijk op de UT aan deze kleurrijke figuur is gewijd.
De foto is onthullend. Enschede, eind jaren zestig: architect Herman Haan
presenteert zijn plan voor nieuwe studentenwoningen op de UT. Vijf mannen staan
bij een maquette met piramiden. De architect zelf in het midden valt op een
onthullende wijze uit de toon te midden van de stropdassen en colberts. In
hemdsmouwen, de armen in de zij, lijkt hij meer op een bouwvakker dan op een
architect.
‘Dit is Haan ten voeten uit’, zegt Andreas
Müller. ‘Anders dan iedereen, iemand die zichzelf nooit op een
voetstuk plaatste. Hij deed gewoon zijn werk, punt uit. Voor ingewikkelde
theorieën moest je bij iemand anders zijn. Ooit heeft hij zijn levensmotto
eens heel kernachtig verwoord: ‘Je moet durven leven, je moet het leven de
kans geven, anders is alles wat we doen, hartstikke, maar dan ook hartstikke
mis’. Zo, en niet anders, dacht Haan.
Op de tentoonstelling die
Müller over de architect heeft ingericht, neemt de foto een centrale plaats
in. En terecht, want het is een tijdsbeeld. Haan’s positie als
vertegenwoordiger van een nieuwe generatie architecten op de UT wordt erin
uitgedrukt. Niet langer de ouderen, Van Tijen en Van Emden, maar ‘angry
young men’ als Haan, Piet Blom en Joop van Stigt waren nu aan zet. Mensen
die met rabiate functionalisme wilden breken, die de menselijke maat in de
architectuur wilden hervinden, die kasbah’s, kubuswoningen,
mastaba’s en piramiden wilden bouwen om de monotonie van de grote
woonkazernes te doorbreken.
Te midden van de nieuwlichters, verbonden aan het
tijdschrift Forum, nam hij een geheel eigen plek in. Herman Haan was te
eigenzinnig om zich voor lange tijd te verbinden aan welke groep dan ook. En
eigenlijk was hij ook helemaal geen echte architect. Z’n opleiding maakte
hij niet af en een vast bureau heeft hij nooit gehad. Haan werkte projectmatig.
Theorieën, zoals bijvoorbeeld collega en geestverwant Aldo van Eyck die wel
had, waren hem vreemd. En bovendien: zijn tweede leven, als volkenkundige en
archeoloog in Afrika, legde zo’n grote claim op hem dat hij op sommige
momenten de architectuur er maar bij deed. Zijn regelmatige expedities in de
Sahara maakten dat hij vaak weg was uit Nederland. Vanaf het midden van de jaren
zeventig heeft hij feitelijk niets meer gebouwd.
Zijn hoogtepunt als
architect lag ongetwijfeld op de UT, ’s lands eerste campusuniversiteit in
de bossen van Drienerlo. Behalve de piramiden, waarvan overigens vanwege een
onverwachte daling van studentenaantal maar een gedeelte werd uitgevoerd, bouwde
hij daar het sportcomplex, de voormalige meisjeshuisvesting Logica en, vooral,
het patiocomplex. In plaats van vrijstaande flats tekende Haan, midden jaren
zestig, een aaneensluitend complex in laagbouw. Kleine groepen studenten wonen
er rondom kleinere en grotere patio’s.
‘Het beste wat Haan
gemaakt heeft’, vindt Müller, zelf architect. ‘Alles waar hij
zich mee bezighield, komt samen in dit project. Het is een uitstekende vertaling
van wat hij in Afrika heeft gezien. Je zou verwachten dat hij primitieve vormen
gaat gebruiken, maar dat doet hij dus niet. Hij vertaalt slechts het principe
van de aaneengesloten holwoning die hij daar had gezien. Bouwen in zo groot
mogelijke dichtheid, in gelijke eenheden en ondergebracht in een stevige
structuur.’
Hij werd geboren in Amsterdam, Herman Haan. Opgroeien deed
hij echter in Winschoten. Z’n vader was er directeur van een steenfabriek.
Op zijn vijftiende, in 1929, maakte hij al zijn eerste reis naar Marokko, waar
hij enige tijd bij de Berbers in de woestijn ging wonen. Hij bezocht de MTS en
begon in 1935 zijn eerste kantoor. Pas na de oorlog maakte hij naam als
architect met een reeks moderne villa’s in en rond Rotterdam. Het woonhuis
voor hem zelf in Kralingen, inmiddels hopeloos door nieuwe bewoners verbouwt,
geldt als een soort ikoon van de naoorlogse architectuur. Het heeft een open
vormgeving, met veel glas en binnenruimtes die in elkaar overlopen. De gesloten
ruimtes- slaapkamers- zijn met opzet zo klein mogelijk gehouden. Het contact met
buiten is maximaal, indachtig zijn in Afrika ontstane verlangen om zoveel
mogelijk in de openlucht te leven.
In het architectendebat van de jaren
vijftig en zestig was Haan, volgens de samenstellers van de tentoonstelling, een
nevenfiguur. Aandacht trok hij vooral door zijn consequente aandacht voor de
wooncultuur in Afrika. Een cultuur die in zijn optiek lijnrecht stond tegenover
het functionalisme van het westen met zijn ‘onafzienbare rijen lijnen
eventueel onderbroken door trappenhuizen’ en geringe aandacht voor het
individu. Haan was het ook die in 1951 een reeks bevriende kunstenaars als Aldo
en Hannie van Eyck, Jan Rietveld en Corneille via een expeditie in aanraking
bracht met de Afrikaanse cultuur.
‘Hij was op de eerste plaats een
avonturier. Dat maakt hem ook zo fascinerend. Die man onderzocht op een gegeven
moment een compleet grottenstelsel in Afrika. De nederzettingen van het
Telem-volk in Mali. Haan werd in metalen kogel neergelaten langs een rotswand,
met een televisieploeg erbij die alles filmde. 1964: de eerste reality soap.
Nederland keek elke vrijdagavond mee wat Haan nu weer had ontdekt in deze
verticale stad.’
Na zijn grote projecten in Enschede werd het langzaam
stil rond de architect. Af en toe deed hij nog eens mee aan een prijsvraag, maar
tot nieuwe werken leidde dat niet. De volkenkundige in hem werd steeds
overheersender. Haan woonde zelfs hele periodes bij de Afrikanen. Zo was hij
vermoedelijk ook het gelukkigst. Wie hem op de film die op de tentoonstelling
wordt gedraaid, ziet in ieder geval een man die meer op zijn plaats is, dan
tussen de colberts van de TH in Enschede.
Haan stierf in 1996. Niet meer dan
een kleine voetnoot in de architectuurgeschiedenis, maar wel een hele leuke en
inspirerende. Müller:’Als beginnende architect voel ik me zeer door
hem aangesproken. Zijn idealisme vind ik hartverwarmend. Waar vind je dat
tegenwoordig nog? Hij is misschien niet zo hemelbestormend als Blom, maar dat
maakt hem tegelijk ook zo boeiend. In de patiowoningen in Enschede heeft hij een
hele pragmatische vertaling gegeven van zijn idealen. Als hij zich full-time aan
de architectuur had gewijd, was hij ongetwijfeld een veel grotere naam
geweest.
Maar Haan koos voor een dubbelleven, dat heeft hem uiteindelijk
veroordeel tot een plek aan de zijlijn.’
Enschede, UT, Gebouw De
Spiegel (voorheen BB-gebouw), maandag-vrijdag 8.00-18.00 uur (t/m 29 april). De
expositie is georganiseerd door het Architectuurcentrum Twente. Samenstelling:
Andreas Müller, Suzanne Pietsch en Kaarsemakers.