
Gehouden op 21 april 2005
Het Architectuurcentrum Twente organiseerde op 21 april een debatavond over de toekomst van de campus van de Universiteit Twente. Plaats van handeling was de door Robert Winkel verbouwde Bastille, het vermaarde studentenbolwerk gelegen in het hart van het universiteitsterrein. Dit oorspronkelijk door Piet Blom in 1969 ontworpen voorbeeld van structuralistisch bouwen was in de afgelopen decennia dichtgeslibd, in verval geraakt door slecht onderhoud en door de optredende leegstand werd er zelfs gedacht aan sloop. Het lot van de Bastille staat wellicht symbool voor de neergang van de campus als gevolg van veranderde onderwijsvisies en werkwijzen. Maar ook een sterk verkorte onderwijsduur speelt een rol. Robert Winkel, een van de sprekers: “Studenten hebben niet meer de tijd om wegwijs te raken in het doolhof van gangetjes, trappetjes en het labyrint van aaneengeschakelde ruimten.” Winkel heeft de Bastille opengegooid en inmiddels functioneert het gebouw weer als weleer. Hoewel Winkel meent dat de door hem aangebrachte veranderingen ten alle tijden weer terug te bouwen zijn naar de oorspronkelijke staat, leeft er in Twente toch zorg over de mogelijke teloorgang van de wereldvermaarde stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten die op de campus te vinden zijn.
De campus was een broedplaats voor vernieuwende
architectuur
Over de kwaliteiten van de campus hield Peter Timmerman,
medewerker van het Bureau Studium Generale UT, een inleiding. In vogelvlucht en
met een bombardement aan beelden gaf hij het publiek inzicht in de oorsprong van
de campus. Het complex werd in de jaren 60 en 70 door Sjoerd van Emden en Wim
van Tijen (met op de achtergrond talentvolle stedenbouwkundigen en
landschapsarchitecten) volgens de modernste CIAM-principes aangelegd. In een
streng gehanteerd stedenbouwkundig plan werden wonen, werken en recreëren
strikt gescheiden en domineerden grote torens in het groen van het landgoed
Drienerlo. Functionalisme ten top. Opmerkelijk is dan dat de supervisors Van
Emden en Van Tijen ruimte gaven aan de als angry young man aangemerkte
structuralisten, zoals Herman Haan en Piet Blom, om te reageren op de door hen
afgewezen grootschaligheid en helderheid van het functionalisme. Hun
‘ontmoetingsarchitectuur’ lardeert nu het terrein. Zo werd de campus
een broedplaats van vernieuwende architectuur waar de hele wereld naar kwam
kijken. En Twente is daar trots op.
Twee uitwerkingen
Toen de
rijksgebouwendienst de gebouwen in de jaren 90 aan de universiteit overdroeg
ging dat gepaard met een fikse portie achterstallig onderhoud. Bovendien waren
voor een eigentijds functioneren van de universiteit aanpassingen gewenst. Jan
Hoogstad kreeg de opdracht een nieuwe masterplan te ontwikkelen waarin de
functiescheiding grotendeels werd opgeheven en verdichtingen in bebouwing werd
voorgesteld waarmee de karakteristieke verweving met de natuur opgeheven dreigt
te worden.
De afgelopen tien jaar zijn diverse gebouwen onderhanden
genomen. Wendy de Koning, pr- medewerkster van het bureau communicatie van de
UT, somde in sneltreinvaart op welke gebouwen reeds gerenoveerd en aangepast
zijn en welke er op de nominatie staan. Twee architecten lichtten de plannen van
de door hen onder handen genomen gebouwen toe. De eerder genoemde Robert
Winkel (Mei Architecten en Stedenbouwers) verantwoorde zich voor zijn in sommige
ogen wel heel rigoureuze aanpak. Uitgangspunt voor Winkel is de voortdurende
verandering die een constante is. Vraag is dan: Wat wil je behouden? Als
voorbeeld noemde hij het 25KV gebouw in Rotterdam. Hoewel dit industriële
gebouw door hem op zeer lovenswaardige wijze in omgetoverd tot een
bedrijfsverzamelgebouw, blijft de overeenkomst met de Bastille vooral steken op
de door hem genoemde omkeerbaarheid van zijn ingrepen. Toch voelt hij zich
verwant met de opvattingen van Piet Blom. Winkel: “Blom zei al: ‘Een
gebouw is nooit af’.” Zijn aanpak is vooral gebaseerd op het weer
laten functioneren van het gebouw; vol met dynamische en bruisende
studentenactiviteiten. En de praktijk bewijst – ondanks de gehoorde
kritiek – zijn gelijk. Anders is de aanpak van Arno de Vries,
projectarchitect bij van mourik en vermeulen architekten. Het destijds door Van
Mourik en Du Pon ontworpen De Horst complex (werktuigbouw) wordt door hem in
functionalistische stijl gerenoveerd en uitgebreid, waarmee hij een stabiele
koers aanhoudt. En dat wordt gewaardeerd, temeer omdat hij zich inspant om de
stedenbouwkundige verwevenheid met de natuur in stand te houden, zoals in het
door hem ontworpen en toegevoegde Meandergebouw.
Het idee is naar de kloten
Ton
Schaap, naast stedenbouwkundige in Amsterdam is hij sinds kort ook de
stadsstedenbouwkundige van de stad Enschede, leidde de discussie. Prangende
vraag was natuurlijk of en in hoeverre de oorspronkelijke kwaliteiten van de
campus behouden blijven. Saillant detail is dat de verlieslijdende maar zeer
karakteristieke studentenhuisvesting op de campus sinds kort in handen is
gekomen van een zeer commercieel ingestelde woningcorporatie. De angst voor
sloop en vervanging door efficiënte en goedkope varianten is wellicht niet
denkbeeldig. Maar de kritiek richt zich vooral op de visie van Hoogstad.
Ofschoon het volgens Wendy de Koning Hoogstad de ambitie heeft om bij te dragen
aan de staalkaart van moderne architectuur (handhaven en verbeteren) is het
masterplan toch vooral gericht op rationele functionaliteit en uiteraard de
daaraan gekoppelde kosten. Albert Fien, stedenbouwkundige in Apeldoorn (voorheen
in Almelo): “Ik ben geschrokken van dit masterplan. Hieruit blijkt dat
Hoogstad een architect is en zeker geen stedenbouwer of
landschapsarchitect.” Veel vragen uit het publiek waren aan Hoogstad en
vooral het universiteitsbestuur gericht. Maar die waren er niet. Discussieleider
Schaap: “Ze waren wel uitgenodigd maar ‘hadden geen zin om de
bekende kritiek aan te horen’.” Volgens Robert Winkel zijn er
‘dingen vóór en tegen’ in het masterplan. Arno de Vries
meent dat het huidige Programma van Eisen de zienswijze op de campus kan doen
veranderen. Of, zo vraagt hij zich af, wil iedereen hier alleen maar hot-shots?
Schaap stelt wel vast dat ieder gebouw op de campus destijds een hit was en dat
nu iedereen op andere universiteitsterreinen, zoals in Eindhoven en
Utrecht, zijn ogen uit kijkt. Een in de zaal aanwezige architect stelt:
“Van Emden en Van Tijen moeten geen functionalisten genoemd worden maar
eerder romantici die jonge honden een kans gaven. Nu overheerst het pragmatisme
en daarmee gaat het hele oorspronkelijke idee naar de kloten.” Een
teleurstellende en sombere constatering die Schaap beaamt. Wellicht dat het een
goed idee zou zijn om het thans uit een persoon bestaande College van Bestuur
uit te breiden met een bouwheer met architectonische kwaliteiten. Het blijft de
vraag of het universiteitsbestuur en Hoogstad zich daar iets aan gelegen laten
liggen.
Tom de Vries
Ik heb het verslag over de discussieavond gelezen, ook op Archined. Goed dat
er aandacht aan besteed wordt en dat er kritiek is op de plannen van de UT. Maar
er moeten mij toch nog even twee dingen van het hart:
Ik vind dat het Horst complex en dan vooral onze verbouwingen en nieuwbouw er
wel erg functionalistisch afkomen. Ik heb daar in mijn lezing ook iets over
gezegd en dan vooral over de relatie tot het landschap, die helemaal niet
functionalistisch is. Jammer dat in je stuk niet echt naar voren komt (maar je
kunt niet overal over schrijven). Ik vind de nieuwbouw van de Meander helemaal
niet functionalistisch. Volgens mij moeten dan de functies, de organisatie van
het gebouw (in volumes) en de architectonische uitdrukking ervan samenvallen.
Dat is bij de Meander in het geheel niet het geval. De gevels van de kantoren,
labs en gangen zijn hetzelfde. Er is aan de buitenkant geen verschil in functies
af te lezen. De articulatie volgt geheel de ingrepen vanuit landschappelijke
overwegingen. Het is wel een modern, eigentijds, strak ontwerp. Maar niet
functionalistisch. Ook de renovatie van de hallen geeft geen uitdrukking aan de
verschillende functies tussen de hallen en in de hallen zelf.
Ik vond tijdens de discussie de kritiek op de plannen van de UT en het
masterplan erg oppervlakkig. Er heerste een hang naar het verleden. Men wilde
meer Japanse toeristen. Ik denk dat het beter is om Japanse studenten en
onderzoekers te interesseren en dat doe je met goede en aantrekkelijke gebouwen.
En daar zijn we mee bezig, mede gezien de gehouden presentaties van Robert
Winkel en mijzelf waarin op een zeer inhoudelijke manier de kwaliteiten van onze
ontwerpen aan het licht gekomen zijn. Overigens, Piet Blom was nog onbekend toen
hij in Twente bouwde. Dus, wie weet. Ik vind de manier waarop de architecten die
nu op de campus werken, en die hun verhaal voor jullie kwamen houden, in de
'niet vernieuwende' hoek gedrukt werden eigenlijk niet op z'n plaats. Wat wij
leveren met verrassende architectuur heeft een zeer hoog niveau en er was
niemand tijdens de discussie die daar inhoudelijk en beargumenteerd kritiek op
heeft kunnen leveren.
De opwaardering van het Horstcomplex is nu juist een voorbeeld van een project dat helemaal niet op pragmatisme en functionaliteit gestoeld is. De kracht van alles wat daar gebeurt is nu juist dat met verleiding, overtuiging en enthousiasme voor een moeilijke maar waardevolle weg gekozen is. Zoals ik in mijn verhaal liet zien zou het complex eerst afgestoten worden maar heeft dankzij de overtuigende kwaliteiten nu een centrale positie in het O&O-gebied. Het handhaven en renoveren van de hallen ten behoeve van onderwijsfuncties die eigenlijk in een ander soort gebouw horen is helemaal niet 'handig' maar komt voort uit de waardering van het bestaande complex. De potentie van de Meander om met Zuidhorst en het nieuwe labgebouw (van Hoogstad) een 'onderzoeks-as' te vormen is meer een kwestie van ambitie dan pragmatisme.
Ik heb die kritiek van pragmatisme en functionaliteit nergens onderbouwd gezien.
Er zijn misschien wel keuzes waar je inhoudelijk over kunt discussiëren
zoals de beoogde concentratie en het ontbreken van nieuwe hoogbouw. De
afwezigheid van een behoorlijke vertegenwoordiging van UT en Hoogstad was een
gemis. Maar het ontbreken van een goede, inhoudelijke criticaster van het
vastgoedplan dus ook.
Met vriendelijke groet,
A.H. (Arno) de
Vries