
Gehouden op 18 mei 2006
Verslag van het symposium over Europan 8 in het
Rijksmuseum Twenthe op 18 mei 2006
Het symposium, dat is
georganiseerd door de gemeente Enschede, het Architectuurcentrum Twente en
Europan Nederland, stelt de vraag: Heeft het plan Triade, dat in het kader van
de architectenprijsvraag Europan 8 door Robert Verrijt en Floris Cornelisse is
opgesteld, voldoende potentie om uitgevoerd te worden. Harry Abels heet de
aanwezigen hartelijk welkom en verheugt zich over de goede opkomst. De
Gobelinzaal is geheel gevuld. Hij leidt de sprekers kort in en geeft het woord
aan Albert Fien.
Albert Fien gaat in op de opzet van
Europan, een prijsvraag voor jonge architecten die zo om de 2 jaar wordt
uitgeschreven. Hij gaat kort in op de geschiedenis van Europan in Nederland en
toont enkele voorbeelden uit vorige prijsvraagrondes van winnende inzendingen
die inmiddels voor een deel zijn gerealiseerd. Eerder waren locaties in Almelo
en Hengelo aan de beurt waarvan de planontwikkeling overigens nog niet is
afgerond. Voor Europan 8 maakte Albert Fien deel uit van de jury.
Er
hebben zich voor Europan 8 in totaal 74 steden aangemeld verspreid over 19
landen. Het thema voor dit jaar was Urbanity, stedelijkheid dus. In
Nederland waren er 6 locaties aangewezen, in Alkmaar, Dordrecht, Haarlem,
Tilburg, Zwolle en in Enschede. Er zijn voor de locatie in Enschede 24
inzendingen door een internationale jury beoordeeld. De locatie ligt aan de
noordzijde van het centrum tussen de Molenstraat, de Nieuwe Schoolstraat en de
Visserijstraat en kreeg het thema Mixed Salad mee. Het gebied heeft een gemengd
karakter met grootschalige gebouwen en kleinschalige woningbouw. Hier bevinden
zich de Volksuniversiteit, het gerechtsgebouw, het Leger des Heils en de
ijzergieterij Sanders. Een aantal van de gebouwen en enkele waardevolle bomen
zullen behouden moeten blijven.
Getuige de meeste inzendingen was het
geen gemakkelijke architectonische en stedenbouwkundige opgave waarvoor
pasklare oplossingen voorhanden waren. Slechts enkele inzendingen gingen
nadrukkelijk in op het studiegebied, waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt
en waartoe ook een deel van de spoorzone behoort. De spreker verdeelde de
inzendingen in een aantal categorieën (grid, streepjescode, slang,
behang, groot gebaar, droom, etc.). In de eindronde konden een 5-tal onderling
verschillende plannen worden vergeleken en beoordeeld. Het winnende plan van
Cornelisse en Verrijt stak er met kop en schouders bovenuit. Het plan wordt
gekenmerkt door een eenvoudige oplossing die echter slechts na lang zoeken en
uitvoerige analyse gevonden kon worden. Het plan past bij de architectuur van
Enschede. Het aansluiten op de groene openbare ruimte van ’t Zeggelt was
het enige kritiekpunt van de jury.
Vervolgens komen de prijswinnende architecten Robert Verrijt en Floris Cornelisse zelf aan het woord. Zij hebben de opgave vooral ook vanuit het grotere geheel en de context van de stad benaderd. Zo voert de geplande cultuurroute door het gebied. Het plan wil de overgang zichtbaar maken tussen de rustige groene woonbuurt aan de noordzijde en het dynamische vernieuw(en)de centrum van Enschede ten zuiden van de locatie. Voor de ontworpen openbare ruimte is “ontmoeten” als belangrijk thema genomen. Het oplossen van de tegenstrijdigheid van “urbanity” met gewenste hoge woondichtheid, de gewenste groene uitstraling en het aanvullend programma wordt als uitdagende ontwerpopgave opgepakt. Er wordt in het plan een verbinding gelegd tussen de aangrenzende hoogbouwprojecten en de noordelijke woonbuurt. Een duurzame oplossing is mogelijk door uitwisselbaarheid van wonen en zakelijke dienstverlening en het zichtbaar opvangen van regenwater in het gebied. Een bewoner van het gebied vraagt zich naar aanleiding van de presentatie wel af hoe de voorgestelde hoogbouw zich verhoudt met het bestaande kleinschalige woonmilieu. Geantwoord wordt dat hiermee is rekening gehouden door de hoogbouw enigszins terugliggend ten opzichte van de straat te situeren.
Na de pauze licht Filip Delanghe het
project Mariaplaats in Utrecht toe. Delanghe is lid van de ArchitectenWerkGroep
(AWG) in Antwerpen en collega van bOb van Reeth. Van Reeth (1943, België)
is praktijkhoogleraar Architectonisch Ontwerpen aan de faculteit Bouwkunde van
de Technische Universtiteit Delft sinds 2003. Hij ontwierp onder andere het
Huis Roosmalen (!) in Antwerpen.
Delanghe belicht de vijf
ontwerpprincipes die het architectenbureau AWG hanteert. Zo vindt hij ontwerpen
in en voor de stad relevant. Hier “staan zaken in de weg” waardoor
interessante ontwerpopgaven ontstaan. De toekomst moet in het gebouw niet
onmogelijk worden gemaakt. Dit leidt tot een terughoudende opstelling van de
ontwerper, het begrip “intelligente ruïnes” doet zijn intrede:
gebouwen moeten toekomstige ontwikkelingen technisch kunnen doorstaan.
Terughoudendheid leidt ook tot 90% decor en 10% markante belangrijke gebouwen
(landmarks). In één zin ziet hij het als zijn missie om cultuur
te ontdekken die de plek heeft doen ontstaan en zodoende een herinnering te
herbouwen. Ter verduidelijking kan van Reeth’s ontwerpfilosofie dienen.
Van Reeth over zijn aanstelling als hoogleraar: Binnen de leerstoel staat onderzoekend ontwerpen centraal, geheel in lijn met zijn opvatting dat architectuur het zoeken naar architectuur is. Duurzaamheid en historie zijn aspecten die hij erg belangrijk vindt bij het ontwerpen. Volgens Van Reeth moeten architecten gebouwen zodanig ontwerpen, dat ze 400 jaar mee gaan en slopen niet nodig is. Dat betekent onder andere dat de stedenbouwkundige footprint van een gebouw goed doordacht is en past bij de bestaande situatie, maar ook dat het casco anticipeert op toekomstige veranderingen en het milieu veel aandacht krijgt. Deze benadering wil hij zijn studenten bijbrengen. Volgens hem kijken die vaak teveel naar de actualiteit en hebben ze weinig kennis van de geschiedenis. Hij stimuleert studenten daarom zich te verdiepen in de architectuurgeschiedenis. In de masterfase verzorgt hij projectonderwijs waarin het bestaande bouwblok en de verandering van het binnenterrein van privé naar publiek onderzocht wordt.
De opgave bij het project Mariaplaats was het bouwblok te herstellen. Mariaplaats was ooit een immuniteit in de stad, waar de kannunik het voor het zeggen had. Geheel in tegenstelling tot wat heden ten dage gebruikelijk is was destijds de buitenzijde bedoeld voor de huisvesting van personeel en voor ondersteunende functies, de binnenzijde (het verborgene) als residentie voor “de heren”. De schoonheid zat als het ware aan de binnenkant.
Ton Schaap houdt zich als
stadsstedenbouwer in Enschede bezig met de toekomstplannen voor de spoorzone.
Hij toont enkele mogelijke ontwikkelingsvarianten voor dit gebied dat zich
uitstrekt langs het spoor vanaf het Schuttersveld terrein (meubelplein) tot aan
de Polaroid locatie. Deze studie / mogelijke varianten worden op de avond voor
het eerst publiekelijk getoond. Het plan van Verrijt en Cornelisse acht hij zo
waardevol dat het in de variantenstudie eenvoudig is
“ingemonteerd”. De studie laat de ongekende mogelijkheden voor
Enschede zien en het belang van een bredere invalshoek en integrale afweging
van voor- en nadelen van bepaalde keuzes.
Harry Abels vraagt wethouder Roelof Bleker de avond af te sluiten. De wethouder volstaat met het bedanken van de sprekers voor hun gewaardeerde inbreng en het publiek voor zijn aanwezigheid.