
22 maart 2007
Hoe publiek opdrachtgeverschap verschuift naar
privaat opdrachtgeverschap
Het
rijksmotto ‘Centraal wat moet, decentraal wat kan’, heeft
ongetwijfeld effect op de kwaliteit van het publieke opdrachtgeverschap. Maar
‘kwaliteit’ blijkt inmiddels ook een concurrentiemiddel te zijn
tussen semi-publieke partijen zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen.
Burgers zijn klanten geworden. En die kun je met kwaliteit aan je binden. Dat
bleek tijdens de door het Architectuurcentrum Twente georganiseerde debatavond
op 22 maart in het nieuwe ROC-gebouw in Almelo.
Publiek opdrachtgeverschap
Op de
trappen in het grote, wigvormige en spectaculair vormgegeven binnenplein in het
nieuwe ROC-gebouw in Almelo, waren ongeveer honderd bezoekers neergestreken om
deel te nemen aan het debat over publiek opdrachtgeverschap. Het waren vooral
professionals zoals architecten, opdrachtgevers, vertegenwoordigers van
corporaties, bouwbedrijven en makelaars. Maar er waren ook ‘gewone’
burgers en opvallend veel studenten. Het debat over de rol en kwaliteit van het
publieke opdrachtgeverschap, was door het Architectuurcentrum Twente onder de
titel ‘Boost in Twente’ in twee delen geknipt. Ter introductie werd
door Huub Isendoorn, oud wethouder van Almelo, een aantal
opdrachtgeversondervraagd over hun ervaringen met recent opgeleverde projecten
of projecten die nog in de ontwikkelingsfase verkeren. Het tweede deel van de
avond werd ingenomen door de professionals die als wetenschapper, architect of
projectmanager beroepsmatig betrokken zijn bij het realiseren van projecten
in de publieke sfeer.
Huub Isendoorn
Huub Isendoorn zette
de discussie meteen op scherp door aan het panel de vraag voor te leggen:
‘Hoe zit het met de architectuur in jullie projecten?’. In het
panel zaten een aantal bouwcoördinatoren van belangrijke Twentse
projecten. Naast Henk Leever van het ROC in Hengelo waren dat Bert Vos en Alp
Buitelaar van het Medisch Spectrum Twente en Frits Locher, die namens de
gemeente Hengelo betrokken is bij het project Hart van Zuid. Buitelaar vond dat
bij de bouw van een ziekenhuis de functionaliteit voorop moet staan, maar dat de
relatie met de omgeving (het Medisch Spectrum Twente komt in de binnenstad van
Enschede) voor de patiënt van belang is. De architectonische en
stedenbouwkundige aspecten spelen daarbij een belangrijke rol. Samenspraak met
de gemeente is dan ook noodzakelijk. Vos vult aan: ‘De uitstraling is ook
van belang in verband met concurrentieoverwegingen. Met andere woorden:
deregulering biedt voor de publieke opdrachtgever als bedrijf ook kansen voor
kwaliteit.’ De logische vervolgvraag van Isendoorn luidt: ‘Is goede
architectuur alleen maar nodig vanwege de concurrentieaspecten of is er ook nog
sprake van liefde voor de architectuur?’ Voor Henk Leever van het ROC is
het imago van een school doorslaggevend voor succes. Leever: ‘De student
moet er trots op kunnen zijn. Dat kan óók bij grote scholen, als
de organisatie maar kleinschalig is.’ De overheid is volgens hem nodig om
een goede locatie te kiezen. De vestigingsplek blijkt dan vaak te werken als
katalysator voor een gebiedsontwikkeling. Frits Locher erkent de rol van de
overheid: ‘Als publieke opdrachtgever is de overheid pas 20 jaar
betrokken bij de ontwikkeling van grote stadsgebieden. In die periode is er
veel geleerd.’
André Doree
André
Doree, hoogleraar markt- en organisatievormen op de Universiteit Twente, gaat
in zijn inleiding verder in op de rol van de overheid bij publiek
opdrachtgeverschap. Volgens hem zal een nieuwe generatie de kloof tussen
ontwerpers en bestuurders moeten dichten. Doree onderkent drie aspecten die
bijdragen aan een succesvol publiek opdrachtgeverschap. Dat zijn publiek
leiderschap, ondernemerschap en opdrachtgeverschap. Voor een goed leiderschap
zijn passie en visie nodig waarmee praktische bezwaren overstegen kunnen
worden. Als voorbeeld noemt hij het beroemde operagebouw in Sydney (van de
Deense architect Jörn Utzon) waar kosten en planning gigantisch uit de
hand liepen, maar waar het resultaat voor de stad een zeer geslaagd beeldmerk
is geworden. Goed publiek ondernemerschap bestaat uit het vermogen om partijen
goed te kunnen mobiliseren en te verbinden, kwaliteit te kunnen borgen en
verantwoordelijkheden te kunnen delen. Als publiek opdrachtgever is de overheid
volop in beweging en worstelt zij met de vele regels, het vaststellen, besteden
en bewaken van de budgetten, de inspraak van het publiek en haar rol in de
opkomende publiek private samenwerkingsverbanden (PPS). Kortom: veel gedoe.
Maar er is ook sprake van een vernieuwingsslag, met nieuwe
samenwerkingsverbanden en gedeelde verantwoordelijkheden. Volgens Doree is het
ontwikkelen van nieuwe arrangementen dé uitdaging voor de toekomst.
Hans ter Beek
Hans ter Beek,
architect en directeur bij Op ten Noort Blijdenstein architecten en ingenieurs
in Utrecht, meent dat publiek opdrachtgeverschap niet gaat over constructies
maar over samenwerken. Het belang van de opdrachtgever staat voorop en bestaat
uit drie elementen: tijd, kosten en het plan. In PPS-constructies spelen altijd
meerdere belangen die in schaalgrootte verschillen. Het is volgens Ter Beek aan
de ontwerper om daar een afweging in te maken. De ontwerper kan daarbij twee
middelen hanteren: enerzijds het afdwingen van het publieke belang en
anderzijds het werken met structuren in het door hem genoemde contextualisme.
In de twee voorbeelden die Ter Beek noemt en waar zijn bureau bij betrokken is,
hebben beide aspecten een doorslaggevende rol gespeeld. Bij de planontwikkeling
van het bedrijvenpark ‘Campus Westermaat Hengelo’ was de planning
– in verband met de aflopende termijn voor de Europese subsidie –
het knelpunt, waardoor het ontwerpproces in een stroomversnelling kwam en
partijen gedwongen werden om slagvaardig samen te werken. In de ontwikkeling
van het stedenbouwkundige plan voor het 40 hectare grote gezondheidspark
in Hengelo, bleek het gebrek aan betrokkenheid tussen de verschillende
betrokken partijen aanvankelijk een knelpunt. Door de mens centraal te stellen,
wist Ter Beek partijen op één lijn te krijgen en kon een
samenhangend en kwalitatief hoogwaardig plan gemaakt worden. ‘Dankzij
PPS!’, aldus Ter Beek die tenslotte concludeert dat voor een hoogwaardige
eindkwaliteit bij publiek opdrachtgeverschap de ontwerper meer betrokken zal
moeten zijn bij de samenwerkingsprocessen.
Matthijs Bakker
Matthijs Bakker,
projectmanager bij PRC Bouwcentrum en als zodanig betrokken bij enkele grote
projecten in Twente, reageerde in zijn betoog op de veronderstelling dat de
projectmanager een nieuwe kaste dreigt te worden in het bouwproces. Volgens
Bakker is de vraag of er hele of halve opdrachtgevers zijn onzinnig: ‘wie
betaalt, bepaalt’ is zijnmotto, dat aan duidelijkheid niets te wensen
overlaat. De (professionele) opdrachtgever kan wel ‘handjes’
inhuren in de vorm van een projectmanager. In het traditionele bouwproces is
het de architect die die rol vervult, maar volgens Bakker kan de architect
wellicht té betrokken zijn bij zijn eigen vakgebied om alle belangen van
de opdrachtgever goed te kunnen behartigen. Die belangen van de publieke
opdrachtgever betreffen primair de functionaliteit van een ontwerp. Maar
volgens Bakker moet hij wel een visie hebben die naast de functionele aspecten
(zoals de gewenste vierkante meters versus beschikbare hoeveelheid tijd en
geld) tot een kwalitatieve meerwaarde van het ontwerp moet leiden. Het is aan
de projectmanager om te zorgen dat de opdrachtgever bewuste keuzes maakt als
die meerwaarde effect gaat krijgen op de functionele aspecten. De
projectmanager is vervolgens aan bod om het uiterste uit alle deelnemende
bouwpartners te halen. Maar hij moet hen daar ook de ruimte voor geven.
Harry Abels
Harry Abels, architect
en directeur bij IAA architecten in Enschede en tevens programmaraadslid van
het Architectuurcentrum Twente, gaf het publiek tot slot een aantal voorbeelden
van goed publiek opdrachtgeverschap. Het ‘meer’ bij de opdrachtgever
ontstaat volgens Abels vaak spontaan. Enkele voorbeelden uit zijn betoog:
Saxion Hogeschool in Enschede: door in het plan een verdichting te
maken, kon een groene aansluiting met het Volkspark ontstaan en werd extra
kwaliteit aan de publieke ruimte toegevoegd. Datzelfde gold voor de grote
entreehal die ruimte bied aan publieke manifestaties zoals concerten.
ROC Twente in Hart van Zuid te Hengelo: door de karakteristieke, oude
gieterij in het plan op te nemen en een herbestemming te geven voor zowel
onderwijskundige als publieke functies, is een katalysator ingebracht die aan
het gebied een belangrijke kwaliteitsimpuls geeft. In de samenwerking tussen
het ROC en de gemeente Hengelo heeft het publieke opdrachtgeverschap hier
gekozen voor een publieke taak.
ROC aan de Postjesweg in Amsterdam: de
transformatie van de oude ambachtsschool, destijds ontworpen met de kenmerken
van de Amsterdamse School, heeft door de overkapping van het binnenterrein een
extra publieke functie gekregen in de vorm van een buurtcentrum.
Onderwijskundige, sociale maar ook commerciële functies zijn in het
ontwerp geïntegreerd en geven zo een meerwaarde aan de buurt.
Medisch Spectrum Twente in Enschede: dit megaproject (met 800 bedden en
1000 parkeerplaatsen het grootste niet-academische ziekenhuis in Nederland)
zorgt met een geïntegreerd stedenbouwkundig plan voor een kwaliteitsimpuls
in het centrum van Enschede. Alle door Abels getoonde voorbeelden van publiek
opdrachtgeverschap tonen een gerealiseerde meerwaarde. Soms in architectonisch
of stedenbouwkundig opzicht, maar vaak ook in gebruiksmogelijkheden voor het
publiek. In alle voorbeelden is dan ook sprake van een publieke opdrachtgever
die koos voor ‘meer’ en die zich niet beperkte tot alleen maar de
functionele aspecten.
Paneldiscussie
Uit de afsluitende
paneldiscussie bleek dat voor de publieke opdrachtgever - naast ideële
motieven - ook commerciële overwegingen in toenemende mate aan de orde
zijn. Het trekken van ‘klanten’ wordt belangrijker naarmate hun
aantal het door de overheid beschikbaar gestelde budget bepaalt. Daarmee krijgt
het publieke opdrachtgeverschap steeds vaker private kantjes. Voor Huub
Isendoorn aanleiding om de vraag te stellen: ‘Waar was de
overheid?’ Voor Vos en Buitelaar van het Medisch Spectrum Twente is daar
een duidelijk antwoord op: ‘Wij zijn de regulerende overheid liever
kwijt.’ Waarmee zij doelden op de overdaad aan wetten en regels en
beperkende invloed daarvan op nieuwe initiatieven. Volgens Henk Leever van het
ROC moet de overheid wel eisen blijven stellen aan kwaliteit. Opdrachtgever en
opdrachtnemer moeten elkaar wel kunnen verstaan, waarbij de opdrachtnemer zich
niet moet verliezen in het
ontwerpen van imponerende architectuur maar zich
ook bewust met zijn van de publieke functie van het ontwerp. Synergie, die als
gevolg van een vruchtbare en elkaar inspirerende samenwerking tot de klassieke
meerwaardevergelijking 1+1=3 leidt, is volgens Abels niet vanzelfsprekend maar
wel van belang. Het is aan de overheid om op een hoger niveau de identiteit van
stad en/of streek te behouden en te ontwikkelen. Het was al over tienen toen het
afsluitende debat werd beëindigd. Maar dat weerhield de bezoekers niet om
tijdens de nazit nog verhitte discussies te voeren over hetgeen te berde was
gebracht maar ook over aspecten van het publieke opdrachtgeverschap niet
aan de orde was gekomen. Waarmee duidelijk werd dat het thema leeft, zeker
onder professionals en dat een twee uur durend debat onmogelijk alle aspecten
aan de orde kan stellen. Dat was ook niet het uitgangspunt. Het debat is
aangezwengeld en toont dat BOOST* in Twente ook een thema is dat
leeft.
door Tom de Vries, Deventer
* ‘BOOST in Twente’ is een vrije interpretatie van de door
Architectuur-Lokaal (Amsterdam) op 18 oktober 2006 georganiseerde landelijke
manifestatie over publiek opdrachtgeverschap.