
14 juni 2007
Het kan verkeren. Was het ooit een tendens om oude fabrieksgebouwen te slopen
om daarmee de herinnering aan armoede en werkeloosheid uit te bannen, nu lijkt
het industrieel erfgoed alom omarmd te worden. De relieken worden nu gekoesterd
als tekens van lokale of regionale identiteit. Maar de meest succesvolle
herbestemmingprojecten blijken toch voort te komen uit burgerinitiatieven, als
de associatie met het gebouw geliefd is en er passie in het spel is.
Emotie, dromen en passies spelen kennelijk een grote rol in het met succes
herbestemmen van niet meer functionerende en vaak op slopershoogte verkerende
bedrijfsgebouwen. Als de ratio overheerst, verdwijnt de ziel en rest een
façade waarachter alleen de vierkante meters tellen. In Enschede werd
op 14 juni door het Architectuurcentrum Twente een avond georganiseerd met als
titel ‘Het DNA van Twente’. De ondertitel luidde ‘Industrieel
erfgoed: relikwie of inspiratiebron?’. Met het Rozendaalcomplex in
het hart van Roombeek, had de organisatie een ideale locatie gevonden om de
bijeenkomst te houden. Het gebouwencomplex kent een roerige geschiedenis. De
teloorgang van de textielindustrie was destijds een ramp voor de lokale
bevolking, met als gevolg dat (ingegeven door frustraties) veel industrieel
erfgoed werd gesloopt. Volgens moderator Jan Astrego, directeur Stedenbouw en
Landschap bij IAA Architecten, is dat wat wel bewaard is gebleven vaak door
emoties bepaald en dan blijkt dat ‘waar een wil is, is een weg’.
‘Rationeel is er dan altijd uit te komen’, aldus Astego die vanuit
eigen ervaring de nodige voorbeelden gaf.
Het leegstaande
Rozendaalcomplex werd in de jaren negentig door kunstenaars in gebruik genomen
als ateliers. Maar niet lang, want op 13 mei 2000 was het complex nogmaals
betrokken bij een ramp. Nu van een andere orde: het complex werd zwaar
beschadigd bij de ontploffing van SE Fireworks. Pi de Bruin, supervisor bij de
wederopbouw van de wijk, en de gemeente Enschede hebben aan de te herstellen
gebouwen de functie van cultuurcluster gegeven. Het Amsterdamse
SeARCH-architects mocht het ontwerp maken dat over enkele maanden wordt
opgeleverd. Voor de ontwerpers was het een uitdaging om de identiteit van het
complex opnieuw inhoud te geven. Maar voordat architect Uda Visser haar
ontwerpstrategie toelichtte, kwamen andere sprekers aan het woord en kwamen we
via Mechelen, Amsterdam en Almelo uiteindelijk weer in het
Rozendaalcomplex.
51N4E is een jong en spraakmakend Brussels architectenbureau (o.a. winnaar Maaskantprijs) dat naast veel nieuw werk ook opmerkelijke projecten heeft gerealiseerd waarin oud en nieuw worden verenigd. Architect Freek Persyn lichtte er een aantal toe waarbij de meeste aandacht ging naar het Erfgoedcentrum Lamot dat is gehuisvest in het vroegere brouwgebouw van brouwerij Lamot, in hartje Mechelen. Persyn renoveerde dit pand volgens een uniek totaalconcept, waarin de integratie van oud en nieuw centraal stond. Het brouwgebouw kreeg een hedendaagse invulling met diverse functies. De meest in het oog springende ingreep is de creatie van 'Mechelen Centraal'. Een volledige laag van het brouwgebouw werd weggeknipt en vervangen door een glazen wand. Het resultaat is een reusachtige openbare ruimte met een schitterend panorama op de binnenstad. In de opvattingen van 51N4E valt op dat zij met weinig middelen veel weten te bereiken. Persyn: ‘Wij prefereren de logica boven esthetica. Met kleine ingrepen kun je vaak een complexe situatie veranderen in één ruimtelijk ding. Dat kost weinig en heeft veel effect. Als de associatie met het gebouw geliefd is, dan is de emotie goed en kun je met goedkope oplossingen volstaan. Dan kun je verschillen in kwaliteit aanbieden in plaats van uitsluitend vierkante meters.’
Eva de Klerk is de initiatiefnemer van
Kinetisch Noord, de broedplaats die in 1999 de voormalige scheepswerf van NDSM
op de noordelijke IJ-oevers in Amsterdam betrok. Volgens De Klerk is dit in
Amsterdam het enige burgerinitiatief van formaat dat zich heeft kunnen
handhaven tussen de ‘grote jongens’ zoals projectontwikkelaars. In
een inspirerend filmpje toonde zij de geschiedenis van de werf en de
ontwikkeling tot een kunstenaarscollectief met 300 ateliers. De economische
situatie in de jaren negentig bleek in Amsterdam een belangrijke succesfactor.
Elders in de stad waren vergelijkbare atelierlocaties gesloopt om plaats te
maken voor stadsontwikkeling en alleen in Noord was er betaalbare ruimte voor
kunstenaars beschikbaar. De Klerk en haar groep kon de werf, die 10 miljoen
achterstallig onderhoud had, huren als monument. De benodigde miljoenen
– bijeengescharreld uit allerlei subsidiepotjes – werden ingezet
voor het aanleggen van een infrastructuur en het maken van een goedkoop casco,
los van de bestaande, tot 25 meter hoge ruimtes. Hierdoor konden de kunstenaars
met lage huren zelf investeren in hun eigen plek, hetgeen de totale waarde van
het complex nog eens met 10 miljoen vergrootte. Eva de Klerk noemt het project
vooral succesvol omdat het als democratisch proces met passie is ontwikkeld,
bottom-up, zonder ontwerp vooraf. Maar het was toch vooral ‘the right
time, the right moment’.
Bert Hallink, directeur van Ter Steege
Vastgoed, toonde een aantal Twentse projecten waarin herbestemming van
industrieel erfgoed zich vooral richt op het introduceren van wonen en waarbij
de integratie van oud met nieuw soms slaagt maar soms toch beperkt blijft tot
een cosmetische jas. Een groot project dat de vastgoedontwikkelaar onder
handen heeft, is het Indiëcomplex in Almelo. Dit industrieel gebied aan
de rand van de binnenstad komt vrij voor herontwikkeling. Urhahn Urban Design
uit Amsterdam ontwierp hiervoor een planconcept.
Gert Urhahn maakte voor de
transformatie van dit 23 hectare grote werkgebied een planconcept dat ruimte
vrij laat om op actuele en toekomstige ontwikkelingen in te spelen. Na een
waardestellend onderzoek - waarbij de ontwerpers gevoel kregen voor de
gebouwen, de bijzondere constructies en de natuur met het groen - is een plan
gemaakt met daarin vastgelegd de uitgangspunten en randvoorwaarden voor de
ontwikkeling. Het concept vormt de basis voor een bestemmingsplan. Met het
motto ‘weven’ (een verwijzing naar de oorspronkelijke
industriële activiteit) wordt de identiteit van het gebied vastgehouden.
Die identiteit wordt vooral bepaald door de diversiteit in sferen in het
gebied, maar ook door het aanwezige groen en het water. Van het
industriële verleden zullen enkele karakteristieke fabriekshallen worden
hergebruikt. Urhahn benadrukte dat initiatieven vanuit Almelo essentieel
zijn om de reanimatie van dit gebied tot een succes te maken. Een ingestelde
denktank zal hier input voor moeten leveren.
Uda Visser, architect partner bij
SeARCH, lichtte tenslotte haar ontwerp toe voor het transformeren van het oude
Rozendaalcomplex tot cultuurcluster. Het planconcept gaat uit van de centrale
fabrieksstraat in het complex, waaromheen het complexe programma wordt
georganiseerd. De openbare straat zorgt ervoor dat iedereen door het
historische gebied wordt geleid. Deze openheid manifesteert zich ook door de
lange gesloten muur aan de rand van het complex letterlijk open te breken met
perforaties. De Twentsche Welle, het nieuwe museum dat gevestigd zal worden in
de oude pakloods, is via een loopbrug en een onderdoorgang verbonden met een
nieuwe toren, waardoor de ertussen gelegen oude fabriekstraat vrij wordt
gehouden. In de toren zijn de entree, alle ondersteunende functies van het
museum en de sterrenwacht ondergebracht. Hiernaast bevat het cultuurcluster
een centrum voor beeldende kunst, woningbouw, een café en ateliers.
Inspiratie vond Visser in de voormalige functie van het gebouw. De
weefgetouwen van destijds heeft zij vertaald in een weefsel van nieuwe
functies. Oude structuren zijn zoveel mogelijk gehandhaafd, met als sprekend
voorbeeld het dak van de pakloods dat met ‘pleisters’ is hersteld.
Oud en nieuw sluiten zo soms confronterend op elkaar aan, maar altijd om
bestaande waardes te handhaven in aansluiting op nieuwe onderdelen.
De getoonde voorbeelden van geslaagde herbestemmingen van industrieel erfgoed
hebben – hoe divers van aard ze ook zijn - een aantal opmerkelijke
overeenkomsten. De bewaarde en soms aangepaste, historische elementen worden
steevast liefdevol en met respect opgenomen in de nieuwe toevoegingen.
Bestaande waardes worden niet betekenisloos door ze als geruststellend decor
in te zetten of ze als onbruikbare relikwieën in te pakken. De getoonde
voorbeelden laat zien dat de restanten van ons industriële verleden
onderdeel uit kunnen maken van een droom en dat ze zo blijvend onderdeel
uitmaken van het DNA van Enschede, Mechelen of van Amsterdam. Aan het einde
van de avond bleef nog wel een grote vraag in de lucht hangen: wie durft er te
dromen in Almelo?
door Tom de
Vries, Deventer