ACT Portretten!

De Corona-crisis treft ons allen. Ook het Architectuurcentrum Twente kan u helaas niet de activiteiten bieden die we graag zouden willen. Naast de online activiteiten die wel doorgang kunnen vinden, grijpen we nieuwe mogelijkheden aan om het gesprek over ruimtelijke kwaliteit niet stil te laten vallen. Daarom introduceren we op onze website een nieuw onderdeel:  ACT Portretten!

De komende maanden plaatsen we regelmatig een portret van personen die werkzaam zijn in het ruimtelijk domein of daar veel voeling mee hebben. Aan de hand van zes terugkerende vragen vertellen zij over hun relatie tot het landschap, een gebouw of de gebouwde omgeving in Twente en geven ze aan hoe zij de toekomstige opgaven voor Twente zien.

De portretten geven een blik op hun belevingswereld, inspiraties en dromen over een toekomstbestendig Twente. Hopelijk kunnen we over deze onderwerpen weer snel met u van gedachten wisselen op fysieke activiteiten.

Landgoed Twickel

Landgoed Twickel, Delden

SESC Pompéia Factory

SESC Pompéia Factory in São Paulo van Lina Bo Bardi

Portret Jessica Hammarlund Bergmann

Zes vragen over stad en architectuur voor Jessica Hammarlund Bergmann, stedenbouwkundige en partner bij blau | stedenbouw & landschap én namens Het Oversticht stadsbouwmeester in Enschede. Jessica studeerde architectuur en planning aan de Arkitektskolen in het Deense Århus.

1- Wat vind jij de mooiste plek of gebouw in Twente?

Ik ben erg betoverd door het Twentse landschap. Twente is nieuw voor mij. Ik zie een rijk, gelaagd landschap; met veel bomen, heuvels, kamers. Heel liefelijk en vriendelijk.

Het station en het stadhuis in Enschede, maar ook de nieuwe stadscampus van Saxion, zijn mooie gebouwen die dezelfde vriendelijkheid en menselijke schaal uitstralen.

De Alphatoren vind ik intrigerend: erg hoog, in een binnenstedelijke context die verder vrij laag is. De klassieke gevelopbouw doet denken aan Amerikaanse torens uit de vorige eeuw. De aanhechting op de openbare ruimte eromheen is in orde, zonder overheersende schaduw- en windhinder. Het slanke silhouet van het toren helpt daarin mee. Al met al goed gedaan.

De Alphatoren laat zo zien dat bij stedelijke verdichting hoogbouw een middel kán zijn. Toevoeging van bouwvolume alleen maakt echter geen goede steden. Bij elk project moeten wij de vraag stellen welke kwaliteit die specifieke ontwikkeling aan de stad toevoegt. Los van de vierkante meters woon- of werkruimte.

2- Wat vind jij het belangrijkste aan een gebouw of stad?

Ontmoeting is wat een fijne stad maakt. Voor mij is een stad daarom de publieke ruimte. Gebouwen zijn de wanden van die ruimte en voeden het leven met de programma’s die in die gebouwen gehuisvest zijn. Voor mij gaat het altijd over de kwaliteit van de ruimte die wij met elkaar delen. Hoe fijner die is, hoe vaker wij in die openbare ruimte verblijven, hoe vaker wij elkaar tegenkomen.

3- Wanneer is je passie voor ruimtelijke vormgeving begonnen?

Vrij laat, misschien pas aan het eind van de middelbare school. Ik heb mijn opleiding in Denemarken gedaan. Architectuur en stedenbouw zijn daar niet zulke gescheiden disciplines als in Nederland. In Denemarken heeft iedereen, of je nu industrieel vormgever, architect of stedenbouwer wilt worden, dezelfde twee basisjaren. Pas daarna ga je je specialiseren.
Ik dacht dat ik architect wilde worden. Maar al vrij snel werd duidelijk dat ik stedenbouw veel interessanter vond. Omdat het de meest integrale ontwerpdiscipline is; je moet iets weten over architectuur en volumes, maar ook over openbare ruimte en landschap en over hoe mensen willen wonen en werken. In die zin is mijn echte passie ruimte maken waarin mensen samen zijn.

4- Wie is je favoriete architect?

Als stedenbouwkundige ben ik groot fan van Jane Jacobs en Antanas Mockus. De eerste een Amerikaans-Canadees econoom die veel rake dingen over het leven in de stad heeft gezegd; de tweede de voormalige burgemeester van Bogota.

De documentaire ‘Bogota Change’ laat zien hoe Mockus met een heel verrassende aanpak Bogota transformeert. Een stad die op dat moment als de meest gevaarlijke stad van Zuid-Amerika werd gezien. Dat hij bijvoorbeeld alle verkeerspolitieagenten laat omscholen tot mime-clowns en een avond in de stad organiseert waarop mannen thuis moeten blijven en alleen vrouwen op straat mogen, zijn onderdelen van een groter plan dat in die film langzaam zichtbaar wordt. Een aanrader!

Als ik een architect moet noemen, kies ik voor de Braziliaanse architect Lina Bo Bardi. SESC Pompéia Factory in São Paulo is een ontzettend levendige en vriendelijke plek, waar van alles gebeurt, van onder op. In plaats van alles slopen en haar ‘eigen’ gebouwen vormgeven, heeft ze een groot deel van de oude fabrieksgebouwen laten staan. Het bestaande gebruik – dat al door de buurt geïnitieerd was – heeft ze zo op de best mogelijke manier gefaciliteerd.

5- Wat is de mooiste of grappigste uitspraak die je ooit over architectuur hoorde?

Architecten zijn niet de meest grappige mensen – wij nemen onszelf te serieus daarvoor. Als ik aan een uitspraak denkt dan is het Jane Jacobs die zei: “Not TV or illegal drugs but the automobile has been the chief destroyer of American communities”.

In Europa is het gelukkig iets minder, maar nog steeds is de auto en hoe wij die geparkeerd krijgen, maatgevend voor elk bouwproject. Ik ben heel blij dat de laatste jaren een nieuw denken over mobiliteit is ontstaan, dat de stad met minder zware kettingen aan de auto legt.

6- Wat zie je als de grootste ruimtelijke uitdaging van de komende 10 jaar?

Het is misschien niet het eerste waar je aan denkt bij ruimtelijke vraagstukken, maar kansongelijkheid wordt, naast het klimaat, de grootste uitdaging voor de komende tijd.

De kloof tussen stad en platteland, tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden, tussen burger en overheid, groeit. Wij staan voor een enorme uitdaging, die besluiten vraagt die het leven van ons allemaal gaan raken.

In steden komen de meest diverse groepen dichtbij elkaar. In steden gaan kansongelijkheid en de kloof tussen groepen burgers zich het snelst en meest schrijnend vertonen. Als ontwerpers mooie parken maken en gebakken klinkers gebruiken, is dat niet genoeg. Verschillende disciplines als ruimtelijk ontwerpen, maatschappij, economie, onderwijs moeten binnen een stad hechter en gerichter samenwerken. Alleen dan kunnen we veel goed doen.

Spinnerij

Van Heekcomplex Enschede

Mihomuseum IM Pei

Mihomuseum Japan van  I.M. Pei

Portret Tom Brughuis

Zes vragen over stad en architectuur voor Tom Brughuis, senior beleidsadviseur stedelijke ontwikkeling bij de gemeente Enschede. Hij studeerde ruimtelijke ordening & planologie (Saxion en UvA).

1- Wat vind jij het mooiste gebouw of plek in Twente?

Het van Heekcomplex in de binnenstad van Enschede (Scott 1896 en Beltman 1892). Ten eerste omdat ik er zelf gewoond heb. Het is prachtig om te wonen in een gebouw met zo’n bijzonder karakter en historie dat ook nog eens in de binnenstad staat. Het is een mooi voorbeeld van hoe steden in de loop van de jaren transformeren. Enschede, groot geworden door de textielindustrie, is nu een stad van wetenschap en ontmoetingseconomie geworden en heeft, in tegenstelling tot wat wordt gedacht, best een historie bij hergebruik van gebouwen. Deze transformatie dateert al van midden jaren ‘80. In de komende jaren verandert door het project Centrumkwadraat de omgeving weer.

2- Wat vind jij het belangrijkste aan een gebouw, stad of landschap?

Het functioneren staat wat mij betreft centraal. Dat geldt zowel voor gebouwen, steden als landschappen. Het zijn een soort stenen organismen die de mens en de natuur faciliteren in het functioneren. Ze moeten daarom adaptief en duurzaam zijn.

3- Wanneer is je passie voor ruimtelijke vormgeving begonnen?

Ik denk dat het een combinatie is van vakanties in mijn vroege jeugd, waar we met de vouwwagen door Europa trokken. Andere landen, mensen en hun steden fascineerden me al vroeg. Door de aardrijkskundelessen (ondergewaardeerd vak!) op de middelbare school is mijn bewustzijn over het belang van ruimtelijke ordening en -vormgeving verder verdiept en wist ik zeker dat ik later in mijn werk daar iets mee wilde.

4- Wat is de mooiste/grappigste uitspraak die je ooit over architectuur hoorde?

Eigenlijk krijg ik in mijn werk vooral vervelende dingen over architectuur te horen. Mensen denken dat architectuur voor de happy few is en dat standaardoplossingen de sleutel zijn. Bijzonder, omdat veel particulier opdrachtgeverschap laat zien dat een hogere kwaliteit zowel qua uitstraling als qua materiaalgebruik mogelijk is, terwijl de prijs van het gebouw hetzelfde blijkt te zijn als bij projectbouw. Dat komt omdat mensen bij particulier opdrachtgeverschap meer bewust zijn van de keuzes die ze maken. Keuzes over duurzame materialen bijvoorbeeld. Wil je nu minder betalen en binnen 10 jaar alweer groot onderhoud moeten doen? Maar ook keuzes over wat heb je echt nodig en wat vind je echt mooi. Dat voorkomt dat je binnen afzienbare tijd alweer een interne verbouwing aan het doen bent.

5- Wie is je favoriete architect?

I.M. Pei. Zijn gebouwen, zoals de piramides van het Louvre en het museum voor moderne kunst in Luxemburg kennen een perfecte harmonie met de gebruikers en het landschap. Je voelt dit het beste in het Mihomuseum in Japan (http://www.miho.or.jp/en/) Het museum is voor een groot deel in de berg geïntegreerd en opent zich alleen bij de ingang, voor lichtinval en voor uitzicht naar het landschap. De balans in het gebouw maakt je op slag rustig, zodat je kunt genieten van de grote kunstschatten die tentoongesteld worden.

6- Wat zie je als de grootste ruimtelijke uitdaging de komende 10 jaar?

Ik zie het herstel van de balans tussen de gebouwde omgeving, de mens en de natuur als belangrijkste uitdaging. Nog steeds maken we keuzes die ten koste gaan van de flora en fauna terwijl dat niet nodig is. Alle technieken en kennis om verstandige keuzes te maken zijn voorhanden. Het vraagt alleen om (politiek) lef om het verschil te maken en afscheid te nemen van conservatieve denkbeelden.

UT Campus

patiowoningen op de campus van de Universiteit Twente van Herman Haan

Med faculteit Louvain-la-Neuve L Kroll

Huisvesting medische faculteit universiteit Louvain-la-Neuve van Lucien Kroll

Verbeterde gevels Haverstraatpassage

Verbeterde gevels Haverstraatpassage Enschede (foto Rob Hendriks)

Portret Rob Hendriks

Zes vragen over stad en architectuur voor Rob Hendriks, architect bij DAAD Architecten en 7 jaar stadsbouwmeester van Enschede. In 2021 draagt hij het stadsbouwmeesterschap over aan Jessica Hammarlund Bergmann. Binnenkort verschijnt haar portret.

1- Wat vind jij de mooiste plek of gebouw in Twente?

Voor mij is dat de campus van de Universiteit Twente. Ik kwam daar voor het eerst via een vriend die daar aan de AKI studeerde, toen ik zelf in Delft zat. De campus is een mooi voorbeeld van een totaalconcept van landschap en architectuur. De patiowoningen van Herman Haan, die sinds kort Rijksmonument zijn, illustreren dit totaalconcept het best. Deze gaan prachtig op in het landschap en hebben een hoge woonkwaliteit.

Überhaupt is de UT campus uniek in Nederland, waar universiteiten vaak in de binnenstad gevestigd zijn, of op later ontwikkelde onderwijscampussen. Dat geeft wel een andere sfeer, zoals in Groningen. Ik ben in die stad actief als architect en ik merk dat de studenten daar wel meer deel uitmaken van de samenleving, doordat ze in het centrum en stadswijken veel zichtbaarder zijn. In Enschede zijn de studenten, op hun prachtige campus, helaas minder zichtbaar aanwezig in de stad.

2- Wat vind jij het belangrijkste aan een gebouw of stad?

Een gebouw zou zich op een vanzelfsprekende manier moeten verbinden met de context waarin het geplaatst is, eigentijds in expressie, maar herkenbaar voor passanten en gebruikers vanuit de geschiedenis waarvan het onderdeel uitmaakt. Als dat gecombineerd wordt met de kwaliteit van aanpasbaarheid in de tijd en het gebouw uitnodigingen biedt om door de gebruikers toegeëigend te worden, dan bouw je werkelijk duurzame gebouwen. Ik noem dat alles het gebouw als spons.

De stad kent een andere dynamiek, is continu in transformatie. De afleesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis is belangrijk voor de herkenbaarheid en eigenheid van een stad. De complexe gelaagdheid die ontstaat wanneer bij elke nieuwe ontwikkeling wordt voortgeborduurd op de historische structuren levert een boeiende en krachtige stad op.

Een voorbeeld van een gebouw van Rob Hendriks, dat continue meebeweegt met de vraag, is te zien in dit filmpje: https://www.youtube.com/watch?v=LXQ4IpxOlWI

3- Wanneer is je passie voor ruimtelijke vormgeving begonnen?

Misschien was het al op jonge leeftijd. Ik maakte namelijk toen ik zes was al een werkstuk over architecten, maar heb er nooit bewust iets mee gedaan. Uit een test bleek overigens wel dat ik goed ruimtelijk inzicht heb. Pas toen ik studeerde leerde ik van docent Dieter Besch de dimensies van het ontwerpproces kennen; hoe kom je samen met je opdrachtgever/gebruiker tot een ontwerp. Die benadering gaat in tegen het traditionele beeld van een architect die een creatie schept. Op dat moment wist ik dat ik mijn roeping gevonden had.

4- Wie is je favoriete architect?

Dat is zonder twijfel Lucien Kroll. Ik heb als beginnend architect voor zijn bureau gewerkt en zijn participatieve benadering is uniek te noemen. Zijn gebouwen zijn vaak atypisch omdat hij het proces om samen met toekomstige gebruikers tot een ontwerp te komen, centraal stelt. In Enschede zie je deze ontwerphouding terug in Prismare, van architect Peter Hübner.

5- Wat is de mooiste of grappigste uitspraak die je ooit over architectuur hoorde?

Ook hier neem ik een voorbeeld van Kroll. Hij kreeg de opdracht in een ville nouvelle bij Parijs. Hij startte een participatieproces met alle 200 bewoners van de nieuwe wijk. Iedereen moest kunnen aangeven hoe hij wilde wonen. Bijzonder daarbij was, dat als tussentijds een bewoner vertrok de nieuwe bewoner moest voortborduren op hetgeen met de vorige bewoner was bereikt. Het leidde tot de bouw van een rijk en complex buurtje met een ontstaansgeschiedenis als die van een Frans dorp. Zeer afwijkend voor het Frankrijk in die tijd met de centrale stadsplanning. De fotograaf voor een Japans architectuurblad, dat na de bouw over het project wilde schrijven, belde naar het architectenbureau omdat hij het plangebied niet konden vinden. Het bleek dat hij er middenin stond.

Zo’n participatieve aanpak hebben we in Enschede met Marijke van Hees als wethouder ook aangezwengeld. In de Haverstraatpassage was er een uitdaging om tot een plan voor gevelwandverbetering te komen, maar dat schoot niet op omdat iedereen naar de gemeente keek om iets te initiëren. Marijke heeft de bal toen bij de ondernemers zelf neergelegd en ze uitgedaagd na te denken over wat voor straat ze willen zijn en wat ze daar zelf aan wilden doen. Uiteindelijk heeft dat geleid tot een mooi plan en vele gevelverbeteringen.

6- Wat zie je als de grootste ruimtelijke uitdaging van de komende 10 jaar?

Een van de belangrijkste kwesties de komende jaren zal zijn hoe we, ook in de stad, een antwoord kunnen geven op de klimaatverandering. Voor gebouwen is de energietransitie daarbij van groot belang, maar het is niet een probleem dat sectoraal is op te lossen. In het noorden, waar ik woon, zijn we inmiddels gewend adaptief te zijn bij veranderende omstandigheden door de aardbevingen en bevolkingskrimp. De ontwerper kan bij dit soort complexe vraagstukken behulpzaam zijn door met beelden integraal perspectieven zichtbaar te maken aan beleidsmakers of de politiek.

Afbeelding1

Woongebouw De Eekenhof aan de Lonnekerspoorlaan in Roombeek

Zuidkamp_2

Gebouw op het Zuidkamp voor de transfomatie

Zuidkamp_3

Gebouw op het Zuidkamp na de transfomatie

klokkenplas

Stadhuis van Enschede door Friedhoff

Lochal_tilburg

Lochal, stationszone Tilburg

Portret Jeroen Diepemaat

Zes vragen over stad en architectuur voor Jeroen Diepemaat, wethouder bij de gemeente Enschede. Hij houdt zich bezig met stedelijke ontwikkeling, wonen, bedrijventerreinen, cultuur, citymarketing en stadsdeel Noord.

 1- Wat vind jij de mooiste plek in Twente?

Uiteraard ben ik bevooroordeeld omdat ik er zelf gewoond heb, maar ik vind Roombeek de mooiste plek. De Oude Markt als huiskamer van de stad zou ook in aanmerking komen, maar Roombeek is een echte stadswijk met alle functies en voorzieningen die daarbij horen. Je hebt goede, moderne woningen, plekken waar gewerkt wordt, voorzieningen voor de dagelijkse boodschappen en leisure. Ook voor de vuurwerkramp was het een gemengde wijk en ik ben blij dat het dat nu ook is. De textielgeschiedenis heeft daarbij natuurlijk een belangrijke rol gespeelt. Ik heb wel iets met plekken met historie. Toen ik studeerde woonde ik anti-kraak op het Zuidkamp in Z15, een van de gebouwen die daar door de Duitsers in de oorlog is gebouwd voor militaire doeleinden, maar die vanuit de lucht moesten lijken op Twentse boerderijen. Prachtig om te zien hoe dat pand nu is omgevormd tot twee moderne woningen!

2- Wat vind jij het belangrijkste aan een stad?

Steden moeten voor mij niet alleen mooi zijn om te zien, ze moeten functioneren. Dat vraagt om buurten met een goede samenhang tussen de functies. Heel anders dan monofunctionele wijken die we na de oorlog hebben gemaakt. Gelukkig is er steeds meer waardering voor levendige stadswijken, iets waar ik in Enschede met bijvoorbeeld Centrumkwadraat verder aan bouw.

3- Wanneer is je passie voor ruimtelijke vormgeving begonnen?

Tijdens mijn studie ben ik al gekozen in de gemeenteraad. Daar maakte ik voor het eerst kennis met plannen voor stedelijke ontwikkeling. Vanaf dat moment ben ik anders naar steden gaan kijken. Als je door een stad loopt ga je automatisch anders kijken. Hoe functioneert de stad, wat voor mogelijkheden liggen er om het te verbeteren? Daarom ben ik erg blij met deze portefeuille. Je ziet wat de keuzes die je maakt in projecten met het functioneren van de stad doen.

4- Wat is de mooiste of grappigste uitspraak die je ooit over architectuur hoorde?

Ik moet altijd erg lachen om lijstjes van het lelijkste gebouw of plek. Enschede staat ook vaak op die lijstjes. Er zal toch ergens een architect zijn die zich dan achter de oren krabt; de meeste gebouwen zullen toch vanuit een visie van diegene zijn neergezet.

5- Wie is je favoriete architect?

Ik ben geen vakdeskundige, dus ik moet het zoeken in architecten wiens werk ik ken. Dan kies ik voor Friedhoff, de architect van ons stadhuis. Ik vind het bijzonder dat hij een sober, maar stijlvol en zeer functioneel gebouw heeft ontworpen dat na 85 jaar nog steeds uitstekend voor zijn functie geschikt is. Een hele tegenstelling met sommige recentere gebouwen die alweer afgebroken zijn. Daarnaast vind ik crossovers in kunst en cultuur altijd erg mooi. Bijvoorbeeld in de muziek. Mijn favoriete band Muse gebruikt bij concerten een podium dat er als een gebouw uit ziet. Door prachtige lichteffecten, beelden en dans/acrobatiek komt het podiumbouwwerk als het ware tot leven.

6- Wat zie je als de grootste ruimtelijke uitdaging van de komende 10 jaar?

Ik denk dat de herontwikkeling van binnensteden ons nog lang gaat bezighouden. Je ziet veranderende behoeften en daar kunnen we juist met gemengde plekken in de buurt van stations op inspelen. Monofunctionele gebieden moeten worden omgevormd tot levendige stadswijken en gebouwen en gebieden moeten we verduurzamen. Een mooi project vind ik de stationszone in Tilburg. Daar is industrieel erfgoed hergebruikt voor hedendaagse functies. Vooral de Lochal is fantastisch, jong en oud komt nu in deze tot bibliotheek getransformeerde plek. Dat geeft ook aan het gebied een enorme boost!

20200701 boom in binnenstad

Catalpa op de hoek van de Haverstraatpassage en de Stadsgravenstraat te Enschede

20200511 het belang van bomen

Bomengroep in de Wesselerbrink te Enschede

Portret Anneke Coops

Zes vragen over het landschap voor Anneke Coops, landschapsarchitect en ervenconsulent bij Het Oversticht en lid programmaraad Architectuurcentrum Twente

1- Wat is jouw favoriete Twentse landschap?

In Twente kan ik erg genieten van de glooiende open es in de winter, bijvoorbeeld die bij Vasse of bij Delden. Of anders wel van de brede donkere lanen in het Haagse bos of het weidse uitzicht bij de koepel vanaf de Tankenberg. Plekken waar je ver weg kunt kijken maar ook niet alles kunt overzien. Wat is er achter die glooiing en na die bocht aan het eind? Een van de mooiste ontworpen plekken in Twente is voor mij de Umfassungsweg op Twickel, door landschapsarchitect Petzold aangelegd rond 1890 en in 2009 gerestaureerd door landschapsarchitect Michael van Gessel. Vol verrassingen en verschillende sferen.

2- Wat trekt jou zo aan in deze landschappen?

Heel vaak is dat de combinatie van uitzicht en geborgenheid. De verrassing. Ik wil niet alles in een keer kunnen overzien. Maar daar wil ik wel heen, omdat mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Tegelijkertijd hou ik ook van helderheid. In een ontworpen landschap spreekt mij de klaarheid meer aan dan het troebele. De duidelijke lijn. Met alweer de verrassing! In een stad of in een gebouw werkt dat net zo voor mij. De rechte straat wordt interessant als er een klein bochtje in zit. Het heldere gebouw krijgt karakter door een speels aangebracht element wat je niet op het eerste gezicht had gezien.

3- Wanneer is je passie voor ruimtelijke vormgeving begonnen?

Als kind ging ik met mijn ouders wandelen en leerde ik veel over vogels, planten en over het landschap waarin ze voorkwamen. Ook hield ik heel erg van tekenen. De keuze voor de studie landschapsarchitectuur was eigenlijk heel logisch. Ik kon mijn belangstelling voor ‘groen’ combineren met mijn creatieve drang. Tijdens de studie ontstond pas het besef wat ruimtelijke vormgeving betekent!

4- Wat is de mooiste uitspraak die je ooit over architectuur/stedenbouw hoorde?

Wat ik altijd heb onthouden sinds mijn studietijd en waarvan ik nog steeds vind dat het zo waar is, is een uitspraak van Jane Jacobs. De essentie is: steden hebben bomen nodig. En zet liever een grote boom op een plein dan een stel kleine boompjes. Die boom geeft schaduw, verkoeling, geborgenheid en heeft karakter. Ik zie al jaren een tendens in steden (en dorpen) om kleinere en smalle bomen in straten te planten. Jammer! Wat mij betreft krijgen de straten en pleinen hun verblijfsfunctie terug en wordt de auto (nog meer) teruggedrongen. Ruimte voor mensen!

5- Wie is je favoriete landschapsarchitect?

Ik heb hem hiervoor ook al genoemd: Michael van Gessel was voor mij een voorbeeld in mijn studietijd en ik zie hem nog steeds als een van de beste landschapsarchitecten van Nederland. Ik heb veel geleerd van zijn manier van kijken, analyseren en vormgeven. Met zijn renovatie van het verwaarloosde Park Groeneveld in Baarn liet hij al zien hoe je een heldere nieuwe laag in een landschap of een park kunt aanbrengen met veel respect voor het oorspronkelijke ontwerp.

6- Wat zijn in jouw optiek de grootste ruimtelijke uitdagingen waar Twente zich voor geplaatst ziet?

Er zijn heel veel uitdagingen de komende jaren, en absoluut niet alleen in Twente! Ons staan nog meer crisissen te wachten met grote ruimtelijke gevolgen. De aarde wordt al decennia uitgeput door de mensen en daar gaan we de komende jaren steeds meer last van krijgen. Ik verwacht dat de verandering van ons klimaat ons voor hele grote uitdagingen stelt. De druk op de ruimte neemt toe. Tegelijkertijd neemt maatschappelijk draagvlak voor noodzakelijke grote ingrepen af – om in onze steeds grotere energiebehoefte te kunnen blijven voorzien, om de veengebieden te behouden, om een andere landbouw te bedrijven. Dat heeft volgens mij in ieder geval twee oorzaken: de noodzaak van die ingrepen wordt niet goed of in de verkeerde volgorde uitgelegd en mensen vinden het in het algemeen erg moeilijk om verder vooruit te kijken dan hun eigen levensduur en abstracter te denken dan hun eigen leefwereld. We moeten toekomstscenario’s blijven verbeelden en toelichten!